Een meerkeuzevraag bestaat uit een stam en een aantal alternatieven.
Met de stam bedoelen we de vraag en/of het informatieve gedeelte.
Met de alternatieven bedoelen we een aantal keuzemogelijkheden waarvan er maar één de juiste is.(a.b.c. of d.)
1. De traditionele meerkeuzevraag.
Dit type vraag bestaat uit een stam en een aantal keuzemogelijkheden waar de antwoorder uit moet kiezen.
Wat is de hoofdstad van Noord Holland?
A. Amsterdam
B. Alkmaar
C. Haarlem
D. Den Haag
2. Aanvulvragen
Bij dit type vraag is de stam een zin die niet af is.
Eén van de keuzemogelijkheden pas op de puntjes aan het einde van de zin.
Een aanvulvraag is over het algemeen gemakkelijk dan een invulvraag.
Eén ons is gelijk aan ……
A. 10 gram
B. 100 gram
C. 500 gram
D. 1000 gram
3. Invulvragen
Bij dit type vraag past een van de keuzemogelijkheden op de puntjes midden in de zin.
Invulvragen zijn wat lastiger dan aanvulvragen.
Een vierde deel van …… is 16.
A. 4
B. 32
C. 44
D. 64
4. Positief geformuleerde stam
Om een vraag niet te ingewikkeld te maken is het aan te bevelen om de stam positief te formuleren.
Uit welk land komt prinses Máxima Zorreguieta?
A. Venezuela
B. Duitsland
C. Bolivia
D. Argentinië
5. Negatief geformuleerde stam
Als de stam negatief geformuleerd wordt moet dit wel duidelijk aangegeven worden in de tekst.
Bijvoorbeeld door woorden met hoofdletters te maken.
Wie was GEEN minister van buitenlandse zaken?
A. Ben Bot
B. Hans van Mierlo
C. Norbert Schmelzer
D. Joseph Luns
6. Ja/Nee of Waar/Niet waar vraag
Bij dit soort vragen is de kans dat hij goed gemaakt vrij groot omdat er maar twee alternatieven zijn. Een nadeel van Ja/Nee of Waar/Niet waar vragen is dat de kans om goed te gokken 50% is .
Is een schildpad een zoogdier?
A. Ja
B. Nee
7. Volgorde vragen
Wereldkampioenschap Voetbal 2006.
Zet in volgorde van behaalde plaats: (1e plaats voorop).
A. Italië, Frankrijk, Duitsland, Portugal
B. Frankrijk, Italië, Duitsland, Portugal
C. Italië, Frankrijk, Portugal, Duitsland
D. Frankrijk, Italië, Portugal, Duitsland
8. Stelling vragen
Een stellingvraag bevat twee stellingen, en de vraag welke van de twee juist is.
De stellingen moeten wel met elkaar in verband staan.
Stelling 1: Een belangrijke taak van bijen is het bestuiven van bloemen.
Stelling 2: Een belangrijke taak van bijen is het maken van honing van de nectar die ze verzamelen op de bloemen
A. Stelling 1 is juist, stelling 2 is niet juist
B. Beide stellingen zijn juist
C. Stelling 1 is niet juist, stelling 2 is juist
D. Beide stellingen zijn onjuist

