Een meerkeuzevraag bestaat uit een stam en een aantal alternatieven.
Met de stam bedoelen we de vraag en/of het informatieve gedeelte.
Met de alternatieven bedoelen we een aantal keuzemogelijkheden waarvan er maar één de juiste is.(a.b.c. of d.)
Tips
- Formuleer eerst het goede antwoord en daarna de vraag.
Formuleer daarna pas de foute alternatieven.
- Aantal alternatieven.
Gebruik in ieder geval meer dat twee alternatieven. Dit verkleint de kans om goed te gokken. (Meer dan vier goede alternatieven maken is vaak lastig)
- Volgorde van de alternatieven moet logisch zijn, bijvoorbeeld:
- Op alfabetische volgorde;
- Van groot naar klein;
- Van hoog naar laag.
- De alternatieven moeten allen geloofwaardig zijn.
Het goede antwoord mag niet opvallen door zijn inhoud en lengte.
- Verdeel de goede antwoorden gelijkelijk over de alternatieven.
Ongeveer evenveel A’s, B’s, C’s etc. Het blijkt dat men geneigd is het goede antwoord het vaakst bij B of C te plaatsen.
- Geef alternatieven waarvan maar één antwoord echt goed is.
Er mag geen overlap zitten tussen de antwoorden. De foute alternatieven moeten ook echt fout zijn en niet vanuit een ander standpunt te verdedigen.
- De alternatieven moeten goed aansluiten op de vraag.
De grammatica en de inhoud van de alternatieven moeten aansluiten.
- Vermijd (dubbele) ontkenningen.
Gebruik geen ontkenning in de vragen. Dit maakt de vraag onnodig verwarrend.
- Geef eerst de informatie en stel daarna de vraag.
Verstop de vraag niet tussen de eventuele informatie die je geeft. Laat duidelijk het verschil zien door bijvoorbeeld een blanco regel tussen de informatie en de vraag te voegen.
- Probeer zo kort en helder mogelijk te formuleren.
Vermijd te lange omschrijvingen.
- Gebruik geen absolute uitspraken in de antwoorden.
Bijvoorbeeld: altijd, nooit, alleen, zeker.
- Vermijd vage vragen en antwoorden.
Dus gebruik geen woorden zoals: ongeveer, bijna, circa of ruim.

